Gerrit Komrij (1944 – 2012)

06-07-2012 03:58

En zo was Nederland wéér iemand armer die het leven zoveel leuker en, wanneer het nodig was, dragelijker kon maken. Vrijdagochtend werd bekend dat Gerrit Komrij (1944) is overleden. Terwijl ik dit schrijf is nog niet bekend waaraan maar wat ik wel weet is dat Komrij al enige tijd in het ziekenhuis lag. Nog geen twee maanden geleden mailde Arthur van Amerongen mij dat “onze Gerrit” (die meervoudsvorm is typische Van Amerongeniaanse pluralis majestatis) in Amsterdam in het ziekenhuis lag en of ik er niet even langs kon gaan, op ziekenbezoek. Lichtelijk geschokt mailde ik Komrij, en twee dagen later kwam het antwoord: “Waarde Bert. Ik stel je belangstelling echt op prijs. Het doet me echt goed. Maar ik moet dit alleen oplossen. Je Gerrit.”

Hoe het met u zit weet ik niet, maar als ik van iemand in het ziekenhuis hoor dat hij “dit alleen moet oplossen” denk ik aan ernstige zaken. Kanker, daar denk ik dan altijd aan, maar wellicht heeft u een eigen demon die altijd verschijnt als het over ziekenhuizen en aanverwante ellende gaat. Hoe dan ook, het voelde slecht aan. Het feit dat Van Amerongen ook verder niets wist, terwijl die normaal gesproken toch echt heel veel weet als het om Komrij gaat, en dus ook geen flauw benul had van welk leed Komrij onderging, stelde me er ook niet geruster op.

Groots
Ach, zo bezien heeft het ook wel zijn charme. Het is heel deftig te weten aanstonds te zullen sterven zonder je naderend einde aan de grote klok te hangen en zonder daar iedereen mee te bezwaren. En, vooral dat, zonder dat er allemaal mensen om je heen dwarrelen die van alles willen weten en van alles vragen en het allemaal heel goed bedoelen maar het leven toch vooral rumoeriger en chaotischer maken. Komrij, die man was een schrijver, een dichter, die verkiezen ook op hun ziekbed de machtige eenzaamheid van hun laatste woord. Groots heeft deze dichter des vaderlands geleefd, groots ging hij dood.

De laatste keer dat ik hem in levende lijve zag was in De Pels, het Amsterdamse rondhangcafe voor alle schrijvers in de leeftijd van Gerrit (en Charles) of daarboven. We dronken wijn, we aten blokjes kaas, en omdat ik ook niet vies ben van een wijntje extra en de heeren zelf ook zeker niet werd het al snel laat. Er druppelden nog meer bekenden binnen en zo werd het een samenzijn tot in de late uren. Wat mij betreft: een samenzijn dat bij uitstek die momenten van tevredenheid in het leven als lijden uitdrukt. Met uitsluitend mensen die dingen snappen omdat ze slechts te snappen zijn en waarover verder niets valt uit te leggen. Typisch iets voor schrijvers, dichters en andere moeilijkdoeners. Daar vaar ik dan weer wel bij, maar ik moest ook huilen toen al die andere rare eenlingen van ons vaderland kassie wijlen gingen. Van Brood tot Büch tot Van Gogh naar Komrij. Een heel rijtje zonderlinge talenten die heel speciale dingen konden waardoor het leven nou nét dat kleine beetje extra glans kreeg waardoor het soms zoveel écht leuker werd. Dus niet “gezellig” of leuk zoals die dertien in een dozijn feestjes immer “leuk” zijn. Maar écht leuk.

Urk
Geinig zijn de woorden die ik me herinner van die avond in De Pels: “Die nieuwe politicus, dat is toch gewoon een besneden eikel die ze hebben geschminkt?” Je moet het Komrij horen zeggen met die merkwaardige indringende stem van hem, met van die langgerekte, haast trage slepende woorden. Snoeiharde grappen op zijn 68ste. Of ik wel eens in Urk was geweest. Hij wel, maar daar mocht hij niet meer komen. De laatste keer dat hij er was had het Urker Mannenkoor een anti-Komrij lied gezongen. Omdat hij, als Dichter des Vaderlands, in een gedicht op het woord “Turk” “Urk” had laten rijmen. Of nouja, de hele zin was, als ik me goed herinner “…Turk, een bom op Urk”. Vrij naar Betjemans gedicht Slough. Ik zag het allemaal voor me en moest mezelf weer oprapen van de lachysterie. Dat grappige mannetje met die bril, met die besmuikte uitdrukking van een eeuwige rebel op zijn gezicht, die op Urk staat uit te waaien en het Urker mannenkoor op zijn dak krijgt. Vanwege een gedicht. Ja, dan ben je dus een ware dichter des vaderlands.

Enfin. Zo’n figuur dus. Die als een van de eerste Nederlanders op internet zat. En in tegenstelling tot zo’n beetje de rest van de Nederlandse culturele elite zichzelf opperbest vermaakte met dat medium. “Ik ben het er lang niet altijd mee eens”, legde hij me uit over zijn voorliefde voor Geenstijl.nl, “maar dat daar kan tenminste wel schrijven!”.
Hij verhaalde hoe hij jaren eerder eens op de Avond van de Polemiek aan het (toen nog) correcte publiek had proberen uit te leggen dat Geenstijl nou juist een vorm van polemiek was waar je oprecht blij mee moest zijn. Ging er uiteraard niet in. Niet dat hem dat ook maar iets interesseerde wat er bij het publiek wel of niet in ging. Hij had de letteren. En meer dan 60.000 boeken. Hij had de gedichten en dichters. En Charles natuurlijk. In dat koninkrijkje te Portugal. De rest was bijzaak. Of juist niet: de rest lag voor het oprapen, voer voor de kunstenaar.

Afscheidswoorden
En nu moeten we dus weer zo’n kunstenaar missen. Het beste kan ik het laatste woord geven aan wat reaguurders op Facebook, zijn geliefde medium: “‘t wordt steeds minder leuk in het ondermaanse”, aldus Huub Stapel en “De ratten verlaten het zinkende schip… En dat bedoel ik dan dus positief”, drukt Ruben Oppenheimer zich uit. Zomaar wat hartverscheurende waarheden van het online condoleancebezoek.

Treffender kunnen afscheidswoorden niet zijn. En voor Gerrit Komrij, dat weet ik zeker, ook niet waardiger.

Foto: Reporters