Poëzie van Joost Zwagerman

14-05-2015 18:58

Erg

Dichter, schrijver zijn, dat is
al met al best erg. Je hebt dan
namelijk collega’s. Die zeggen
blij te zijn niet dit-of-dat-te zijn.
Niet rechts, niet links te zijn.
Of, erger nog, nooit links of
rechts te zijn geweest. Mijn lot:
op dit fijnbruisend collega-feest
de fokkin’ spelbreker te zijn.
Ik zuig zuigend en in zuigkracht
hun rechts-noch-linkse wezenloze ziel.
Clowns zijn het, vermomd
als pseudo-God, vroom gehuld
in hun privé-berekening: hun
zijig-zoet geveinsd geweten.
Ik gesel van collega’s al hun
beenderloze merg. Hun nacht-
merrie: een ongeschminkte clown.
Lees: moi. Een dubbelclown die
ongemaskerd, ongewapend,
en in éen moeite door
dankzij duizend fijne uzzi’s, alle
ikkigheid uit die collega’s maait.

God geeft soms een stille hint.
Er moet toch iemand zijn die
al die schrijvende collega’s
in hun diepste wezen naait.
Dat moet ik dan maar weer
zijn. Ik worstel en kom boven:
ik schrijf een regel en ik terg.
Hoera! Laat die honderden collega’s
maar geloven in hun heilig Zelf.
Laat mij van die collega’s de
collega zijn die zichzelf in het
aarsgat van collega’s vindt.

Dichter, schrijver zijn, dat is
best erg. Ik draai als slager hun
laf dralen door. Men koopt,
verkoopt zichzelf. De wereld
sterft in hun kleffe zelfbederf.
Hun God is niet de mijne. Altijd
weer dat hypomane prediken voor
eigen erf. Nu slaat mijn uzzi aan.
Ik ben gevreesd het tegenbeeld;
er is niets dat ik verberg. Zij zijn
volkomen niets, links noch rechts –
de oprechte weerzin om die ego-teelt.
Schrijvende collega’s: zelfbenoemde reuzen.
Ik ben de saboteur, in zegening.
Ben de door God gezonden dwerg.