Column

Dankzij Boudewijn Büch werd de scheiding tussen hoge en lage cultuur opgeheven

25-11-2016 11:47

Het zijn de buitenbeentjes, die het leven, de kunst, de journalistiek en de literatuur van kleur en  reuring voorzien. Zoals Özkan Akyol, Midas Dekkers, Arthur van Amerongen, A.H.J. Dautzenberg, wijlen Theo van Gogh en Boudewijn Büch. Die laatste – Boud voor intimi – strikte ik in de jaren tachtig als medewerker voor het boekenprogramma van de VPRO-radio, wat tot afkeuring leidde bij de culturele elite en veel zich achter een superioriteitscomplex verschuilende collega’s. Want dat geldt voor vrijwel alle dwarsliggers met excentrieke kantjes, ze trekken in het land waar egalitarisme en platvloersheid de volksaard kenmerken (wie verbeeld  je je wel dat je bent ?), al snel controverse en afgunst aan.

De vraag ‘wie verbeeld je je wel dat je bent ?’ is in het bijzonder van toepassing op schrijver, TV-presentator, poëet en fenomeen Boudewijn Büch omdat hij als geen ander van zijn leven fictie maakte. De verbeelding won het in zijn geval ruimschoots van de feiten, want die waren te banaal om als bouwstenen te dienen voor de kathedraal opgebouwd uit verzinsels, uitvergrote ervaringen, leugens en bedrog waarmee hij iedereen – geliefden, vrienden, collega’s en het grote publiek – grandioos in de maling nam.

Boekpromotor Büch verbond op bevlogen wijze hoge en lage cultuur

Je kunt op verschillende manieren op terugkijken zijn leven en werk: wrokkig, verontwaardigd, verbaasd, vertederd en bewonderend bijvoorbeeld. Maar ook met open een geest voor zowel de negatieve als de positieve facetten van zijn persoonlijkheid, de psychologische achtergrond van zijn gefabuleer én voor de populariteit die hij wist te verwerven als begeesterd boekpromotor waarbij hij als geen ander hoge en lage cultuur – Goethe naast Mick Jagger – wist te verbinden. Eva Rovers waagde zich eraan het leven van Boudewijn Büch in kaart te brengen en van enige duiding te voorzien, en na 5 jaar spitten in het persoonlijk archief van Büch, tal van bibliotheken en gesprekken met 150 mensen die ‘de pathologische fantast’ gekend hebben leverde zij onlangs de biografie Boud, het verzameld leven van Boudewijn Büch af.

Voor Droogstoppel Max Pam is Büch slechts een charlatan en bedrieger

Columnist Max Pam van de Volkskrant las de biografie op Büch-snelheid (200 bladzijden per uur) en vond het één grote teleurstelling, een verborgen hagiografie die een conclusie ontbeert waarin het karakter van ‘de charlatan’ (psychoanalytisch) wordt geduid. Max Pam, toch al niet het zonnetje in huis, laat zich hier wel erg kennen als een Droogstoppel op zoek naar een allesomvattende verklaring voor en een label op de buitenissige levenswandel van een complexe geest. Snel lezen betekent in zijn geval ook oppervlakkig lezen, want de persoonlijkheid van de literaire stokebrand wordt wel degelijk op verschillende manieren van duiding voorzien en het commentaar van Eva Rovers in de biografie op leven en werk van Büch is vaak  kritisch en vilein.

Psychofarmacohistoricus drs. drs. Boudewijn Maria Ignatius Büch

Laten we het verschijnsel Büch nog even introduceren voor de (jonge) lezers die het allemaal ontgaan is: Drs. Drs. Boudewijn Maria Ignatius Büch M.L.S. ISDD, c.m., psychofarmacohistoricus, geboren op 14 december 1948 in Wassenaar. (M.L.S. staat voor Member Linnean Society, ISDD c.m. voor corresponding member van het Institute for the Study of Drug Dependence)

Zijn vader Rien Büch was een Duitse jood die gevlucht was uit Danzig voor de nazi’s, tijdens de Tweede Wereldoorlog als RAF-piloot zijn geboortestad bombardeerde, en in Nederland een Italiaans-joodse vrouw huwde. Ze kregen zes zoons waarvan Boudewijn de derde was, broertje Menno zou later ook televisieroem vergaren met zijn hilarische programma Sex voor de Buch (zonder umlaut). Als negenjarig kind bracht Boudewijn een jaar door in een jeugdpsychiatrische inrichting in Boxtel, een bijzonder traumatische ervaring die hem later zou inspireren tot het schrijven van de roman Het dolhuis. Büch studeerde Duits, Nederlands en wijsbegeerte, en schreef een proefschrift over de invloed van het drugsgebruik op de Europese letterkunde, waarmee hij een nieuw vakgebied creëerde: psychofarmacohistorie. Een andere traumatische gebeurtenis was de dood (in 1976) van zijn 5-jarig zoontje Boudewijn die na een val van de trap in een coma was geraakt en wiens behandeling op aanraden van de artsen werd gestaakt. In het (Büchs best verkochte) boek Een kleine blonde dood werd dit drama verwerkt, later zou er nog een film volgen.

Meer dan een MULO-diploma heeft ‘de pathologische fantast’ nooit gehaald

Tot zover de autobiografictie zoals Boudewijn die iedereen voorspiegelde, ook zijn beste vrienden en vriendinnen, nadat hij het ouderlijk huis in Wassenaar verlaten had. De realiteit was aanzienlijk prozaïscher, zoals na zijn dood in 2002 aan het licht kwam, onder meer in het boek van Rudie Kagie – Boudewijn Büch, verslag van een mystificatie – dat als voornaamste doel had het letterkundig fenomeen te ontmaskeren.

Boudewijn Maria Ignatius Büch, geboren op 14 december 1948 in Wassenaar, had inderdaad vijf broers. Zijn vader was geen gevluchte Duitse jood maar een Haagse gemeenteambtenaar die in 1943 trouwde met de evenzeer in de Hollandse klei geboren en getogen Lida Elffers. In mei 1968 slaagde de 19-jarige Boudewijn voor zijn MULO-examen (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) met op de eindlijst een zeven voor Nederlands en een vijf voor schrijven. Dat was ook gelijk het laatste schooldiploma dat Boudewijn ontving, want hij studeerde geen Duits, Nederlands of wijsbegeerte in Leiden, Amsterdam of waar dan ook. Het jaar in de jeugdpsychiatrische inrichting in Boxtel, was in werkelijkheid een verblijf van zes weken in een vakantiekolonie, op aanraden van de schoolarts want het bleekneusje leed aan rachitus en had O-benen. Het zo tragisch aan zijn einde gekomen zoontje Boudewijn was in de echte wereld het zoontje Boudewijn Iskander van het bevriende echtpaar Coen en Marianne Pronk. De kleine blonde van toen is allesbehalve dood en inmiddels 46.

Wie niet de humor inziet van zo’n door een rijke verbeelding aangedikte levensgeschiedenis en zich achteraf in zijn hemd gezet voelt door de wetenschappelijke en literaire bombast van Büch heeft geen gevoel voor humor en neemt zichzelf misschien te serieus. De meeste vrienden, zoals Peter van Zonneveld en Jacques van Alphen, die hem trouwens ook nog geruime tijd financieel steunden door een vriendenfonds op te zetten, konden later wel lachen om de verzinsels van Büch. De door Max Pam opgevoerde (wijlen) Harry Prick, conservator van het Letterkundig Museum, die door Büch ‘vreselijk bedrogen was’ is een typisch voorbeeld van een man die door zijn gevoeligheid voor vleierij en zijn neiging vrienden te idealiseren er om vróég slachtoffer en figurant te worden in de Comédie Büchienne.

Op reis met Boudewijn werd je gebombardeerd met anekdotes en roddels

Uit eigen ervaring weet ik dat Boudewijn Büch iedereen in zijn omgeving wist te betoveren met zijn imitaties, curieuze weetfeitjes, krankzinnige humor, ontroerende verhalen en zijn elektriserende présence. Samen vlogen we voor de VPRO-radio naar exotische oorden en eilanden als Samoa, Fiji, Hawaï en Tahiti, in de voetsporen van de obscure dichter Rupert Brooke, ontdekkingsreiziger James Cook en de schrijver van avonturenromans Robert Louis Stevenson. Those were the days! Zodra we in het vliegtuig zaten bestookte Boudewijn me met een potpourri van anekdotes en roddels. Over zijn hysterische vader die als vrijwillige verkeersregelaar in Wassenaar Duitse toeristen steevast de verkeerde kant opstuurde, over zijn oerburgerlijke moeder die altijd klaar zat met Mariakaakjes en overal – ook al kondigde Boudje aan van het dak te zullen springen – sussend op reageerde: ‘Dat is goed, jongen’. Over bibliofiel Johan Polak die zijn geliefde boeken alleen met witte handschoentjes beroerde (Boudewijn vond dat zelf ook wel een leuke gimmick voor op TV) en grachtengordeliaanse beroemdheden als de immer onzekere Adriaan van Dis (Hier is….Adriaan van Dis !) die vaak ontzettend gekleineerd werd, zo wist Boudewijn, door azijnpissers Roelof Kiers en Cherry Duyns van de VPRO.

Met als gevolg dat ik al na tien minuten door het gangpad rolde van het lachen, zeker als Boudewijn ook nog eens aankondigde dat hij de zoveelste stewardess die langskwam met een jus d’orange neer zou slaan met een honkbalknuppel. Toen nam ik alle verhalen met een korreltje zout, maar ik voelde niet de behoefte te checken of hij werkelijk drs. drs. was en of zijn vader inderdaad zijn geboortestad in Duitsland had gebombardeerd. Never spoil a good story with the truth, en daar komt bij dat de voornaamste reden dat ik Boudewijn rekruteerde als medewerker voor mijn boekenprogramma was dat hij veel luisteraars en (voor de VARA) kijkers mateloos wist te boeien met zijn bevlogen praatjes over literaire zwaargewichten als Goethe en Rimbaud. Daarmee rebelleerde hij tegen de elitaire manier waarop over kunst en literatuur gesproken werd in die dagen en zo bekoorde hij een publiek dat in de regel zelden een boek opensloeg. Boudewijn Büch werd de Nationale Boekenvriend en was de opvolger van de legendarische Pierre Jansen die in de jaren zestig en zeventig met geestdrift en de motoriek van een epilepticus kunst voor het televisievolk verklaarde.

‘Ik voel dat ik de weelde van het belangrijk zijn niet lang meer kan dragen’

Dat hij een getormenteerde ziel was besefte ik wel maar pas na zijn dood in november 2002 (net zoals zijn vader Rien in 1976 door een hartstilstand) werd echt duidelijk hoe Boudewijn de gevangene was geworden in zijn eigen kasteel, opgetrokken uit leugens en verzinsels. Hij was er zich trouwens terdege bewust van want al in 1969 schreef hij aan een vriendin:“Ik vraag me af of dit nog lang moet duren, een wereld verzinnen om mezelf waar te maken. Ik voel dat ik de weelde van het belangrijk willen zijn en het willen opvallen niet langer kan dragen. Het maakt me kapot. Ik ben zo vreselijk bang aan het worden voor de steeds toenemende dwangneurosen”.

En als je dan zo graag een psychoanalytische verklaring voor zijn verslaving aan mystificatie en overdrijving wil kun je wijzen naar een jeugd met een agressieve vader die hem wel regelmatig slaag gaf maar niet de erkenning, genegenheid en waardering waar hij naar snakte. Zijn moeder had het te druk in het grote gezin om hem genoeg aandacht te geven. De scheiding van zijn ouders in 1963 was voor Boudewijn een bevrijding. Zo’n jeugd maakt misschien wel iets duidelijk over de psyche van de bezeten schrijver en journalist maar het verklaart daarom nog niet waarom hij is uitgegroeid tot de man die zovelen wist te betoveren en te belazeren. Als het gaat om duiding van de menselijke ziel zal er altijd veel te raden overblijven.

Het is dus een mirakel dat hij het nog zo lang heeft weten uit te houden op deze aardkloot, een leven dat steeds meer getekend werd door de pijn van de eenzaamheid. Vrienden en vriendinnen die soms voorzichtig het waarheidsgehalte van zijn verhalen in twijfel trokken werden rücksichtlos terzijde geschoven. Ook de door Max Pam zo beklaagde conservator Harry Prick, die nota bene meeschreef aan de eerste roman van Büch, De blauwe salon – omdat Boudewijn zelf niet de concentratie kon opbrengen het boek af te maken – werd de rug toegekeerd toen die na een gesprek met Boudewijns broer Patrick erachter kwam dat het leven van zijn geadoreerde vriend minder kleurrijk was hem was voorgespiegeld.

De Nationale Boekenvriend liet mensen lezen die nooit een boek opensloegen

Nadat ik de Hilversumse radio- en televisiebiotoop eind jaren tachtig verliet had ik geen contact meer met Boudewijn, maar van een afstand zag ik wel dat zijn televisiepopulariteit tot ongekende hoogte steeg. Hij nam de kijker druk gesticulerend mee naar obscure eilanden, ging op jacht naar resten van de uitgestorven dodo, raakte het graf van Goethe aan, bejubelde Andy Warhol,  sprak als een idolate bakvis met Mick Jagger en beleed zijn liefde voor de muziek van Buddy Holly, Roy Orbison en Elvis Presley. Het maakte niet meer uit waar het over ging, of het nou Lassi toverrijst was of  het kannibalisme op de Fiji-eilanden: met zijn puberale branie, maniakale weetgierigheid, kinderlijk enthousiasme en aanstekelijke humor liet hij in de harten van veel kijkers een vonk ontspringen. Geschiedenis, literatuur en kunst konden ook leuk zijn. ‘Had ik vroeger maar zo’n leraar geschiedenis’, zei een Büch-fan.

Büch trok zich gedeprimeerd terug in zijn boekenkast aan de Keizersgracht

Het televisiewerk hield hem op de been, dus toen de VARA in 2001 na 13 jaar De wereld van Boudewijn Büch der stekker eruit trok, want hij begon zichzelf te herhalen, bleef er van zijn persoonlijke wereld weinig over. Hij belandde nog meer in een sociaal isolement en trok zich gedeprimeerd terug in zijn bibliotheek annex museum aan de Keizersgracht in Amsterdam.

Zoals gewoonlijk probeerde hij zijn neerslachtigheid te lijf te gaan met de aankoop van wagonladingen boeken, maar zijn appartement was al één grote boekenkast en er was simpelweg geen ruimte meer voor nieuwe bibliofiele aanwinsten. Zijn enige uitje was verder nog een wekelijks optreden als boekenfetisjist met witte handschoentjes in het praatprogramma van Barend & Van Dorp. De dood kwam voor de romanticus die zo graag dweepte met vroeg overleden dichters en zangers als Rimbaud en Buddy Holly misschien ook wel gelegen, op 23 november 2002, net toen hij het boek Gespräche met Heine had neergelegd en van zijn bed wilde opstaan.

Dankzij Büch werd de scheiding tussen hoge en lage cultuur opgeheven

Anders dan Max Pam kijk ik 14 jaar later niet met weerzin terug op het leven en werk van fenomeen Boudewijn Büch, hoewel idolatrie mij vreemd is en ik me, toen de biografie Boud gepresenteerd werd in een Amsterdamse kerk vol Büch-adepten, voelde als een kat in een vreemd pakhuis. Er komt een gebrek aan zelfrelativering (of noem het kleingeestigheid) aan het licht als je het zoveel jaren later nog betreurt de praatjes van Büch over literaire en filosofische zwaargewichten ooit serieus te hebben genomen. Ik vond  Boudewijn Maria Ignatius Büch een verrijking voor het culturele leven, een entertainer pur sang, die begreep dat hoog en laag in de kunst en de cultuur in feite niet bestaan. Het doet er alleen toe doet of een boek, schilderij, lied of een mens je raakt. De rest is pretentie, als schild te gebruiken door snobs die zich superieur wanen.