De ezelsoren van Gerard Reve

18-11-2016 15:14

‘God is Eenzaam, en Hij is een Lijdende God. Iedereen wil iets van God, maar hoe Die er Zelf aan toe is, dat vraagt niemand zich af. Het kan zijn dan Hij drinkt, of dat Hij juist helemaal niet drinkt. Het kan het één zijn, maar ook het ander. Dus hoe kunnen wij oordelen? Als God drinkt, dan is dat niet zonder reden,’ zo schrijft Gerard Reve in Het Boek Van Violet En Dood (1996), een boek dat volgens hem alle andere boeken overbodig zou moeten maken.

Schrijven als therapie

Gerard Reve werd in 1923 geboren in Amsterdam, waar hij opgroeide in neerslachtigheid, in Betondorp. Na een zelfmoordpoging kreeg hij van zijn arts het advies om de neurosen van zich af te schrijven, een therapie die in 1947 leidde tot De Avonden. Een klassieker in de Nederlandse literatuur, die binnenkort voor het eerst in het Engels zal verschijnen. Deze vertaling zou Reve – die tien jaar geleden overleed – veel genoegen hebben gedaan. Na het grote succes van De Avonden vestigde hij zich in Engeland, maar in dit land bleef een doorbraak uit. Na terugkeer in eigen land vond naar zijn eigen zeggen in 1966 een ‘dubbele bevrijding’ plaats: Reve kwam dat jaar openlijk uit voor zijn homoseksualiteit en bekeerde zich tot de rooms-katholieke kerk.

Niet onopgemerkt gebleven

‘Het is gezien’ en ‘Het is niet onopgemerkt gebleven’. Met deze mededelingen besluit Gerard Reve De Avonden, waarin hij minutieus de laatste tien dagen beschrijft voor het nieuwe jaar. Door de ogen van een jongeman (Frits van Egters), die thuis woont bij zijn ouders in Amsterdam. Het verhaal is even vermakelijk als verontrustend. Gaandeweg bekruipt je steeds meer het beknellende gevoel van onbegrip en schaamte dat Frits heeft met zijn omgeving. Een gevoel van eenzaamheid en overgeleverd zijn aan de zinloosheid van het bestaan, van alles wat hij in dit boek zo precies beschreven heeft. En dat pas betekenis lijkt te krijgen door zijn laatste mededeling, dat het is gezien en niet onopgemerkt is gebleven. Maar door wie dan – en waarom?

Theologie vol humor

‘De kerk is een ware schatkamer en tovertuin van symbolen, waarin de kunstenaar een onuitputtelijke bron van onvergankelijke archetypische waarheid kan vinden.’ Na jaren van vergeefs ploeteren op een nieuwe succesroman ontdekt Reve begin jaren zestig het brievenboek. Juist in brieven kan hij op een persoonlijke wijze over grote thema’s schrijven, zoals de zin van het leven en de omgang met de dood. In Op Weg Naar Het Einde (1963) en Nader Tot U (1966) experimenteert de schrijver met religieuze beelden, die tot doel hebben onbewuste (archetypische) overtuigen bloot te leggen. Met een humor die in ieder geval deze lezer niet zelden doet schaterlachen.

Een ernstige zaak

Zoals in Nader Tot U de ontmoeting van de schrijver met God, die aan hem verschijnt in de vorm van een ‘eenjarige, muisgrijze Ezel’. Wat leidt tot een erotische worsteling, op de trap op weg naar zijn slaapkamer, nadat de Heer hem had toevertrouwd: ‘Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?’ Dat boek leidde tot Kamervragen en zelfs tot een rechtszaak, waarin Reve met succes het recht verdedigde om zijn eigen godsbeelden te scheppen – waarna de wet op de godslastering feitelijk een dode letter werd, totdat deze wet in 2013 werd afgeschaft. Ondanks de humor was het schrijven voor Gerard Reve een ernstige zaak, zoals in dit gedicht ‘Dagsluiting’.

 

Eigenlijk geloof ik niets,

en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt

zoals ik U.

Een bijbel met ezelsoren

In de tijd dat hij zijn brievenboeken schreef was Gerard Reve een stevige alcoholist. De ironie waarmee hij zijn godsbeelden schetste, doet wellicht vermoeden dat hij de draak wilde steken met de bijbel. Toch is Reve uiterst serieus als hij stelt dat een schrijver zijn eigen goden moet kunnen scheppen, zoals het beeld van een Lijdende God, die verlangt naar mensen die in Hem willen geloven. Alle kunst is voor Reve ook religieus, maar welke beelden mensen troost bieden in het bestaan is een eigen aangelegenheid. De bijbel van Reve kent vele ezelsoren, op de pagina’s waar hij zijn eigen goden invoegt. Als een antwoord op zijn eigen eenzaamheid. Want als ook Reve dronk, dan was dat niet zonder reden.

Lees ook

Ronald van Raak schreef eerder over Keefman van Jan Arends Het Bureau van J.J Voskuil, ‘De kruisweg’ van Albert Servaes, De Revisor van Nikolaj Gogol, ‘De visioenen’ van Hildegard von Bingen, Totaal witte kamer van Gerrit Kouwenaar, Lof der Zotheid van Erasmus, De Driestuiveropera van Bertolt Brecht, De idioot van Dostojevski en De Belijdenissen van Augustinus.