Longread

Hoe Bob Dylan de Nobelprijs won: ‘Literatuur en popmuziek zijn allang één geworden’

14-10-2016 11:05


Dat Bob Dylan de Nobelprijs voor de Literatuur kon winnen is vooral te danken aan één man: de inmiddels gepensioneerde Amerikaanse literatuurprofessor en schrijver Gordon Ball. Sinds 1996 nomineerde hij ieder jaar weer de joods-Amerikaanse singer-songwriter voor de meest prestigieuze literaire prijs ter wereld. Te onzent spraken Harry Mulisch en Cees Nootteboom er schande van, maar volksschrijver Gerard Reve schaarde zich bij leven vol achter het initiatief.

De aanhouder wint. Vijftien jaar achter elkaar nomineerde Gordon Ball, professor in de literatuur aan voorheen het Virginia Military Institute in Lexington, Virginia, Bob Dylan voor de Nobelprijs in de literatuur. “Het idee kwam niet van mij maar van twee Dylan-fans in Noorwegen, journalist Reidar Indrebø en advocaat Gunnar Lunde, die Beat-dichter Allen Ginsberg, een goede vriend van mij aan wie ik drie studies heb gewijd, hadden benaderd voor hulp. Alleen een lid van de Zweede Academie, of een professor in literatuur of taal, of de president van een nationale schrijversorganisatie kan mensen nomineren voor de Nobelprijs. Daarom werd ik in 1996 gebeld door Ginsberg’s kantoor mij met het verzoek of ik een voordracht wilde schrijven.”

Persoonlijke overwinning

Dat zijn moeite nu beloond is beschouwt Ball als een enorme persoonlijke overwinning, laat hij weten in een telefonische reactie. “Het is bijna ongelofelijk dat dit echt gebeurt”, zegt hij. “Ik ben de afgelopen jaren overladen met kritiek, mensen vonden dat ik gek was of een soort heiligschennis pleegde door Dylan te nomineren. Maar ik hield me altijd vast aan de woorden van Alfred Nobel, de bedenker van de prijs, die in zijn testament in 1895 liet vastleggen dat de prijs voor de letteren moest worden uitgereikt aan mensen wier werk ‘tot het grote voordeel van de mensheid’ heeft gediend. Nu, in mijn ogen voldoet Dylan zeker aan dat criterium: zijn klassieke songs als Blowing In The Wind en The Times They Are A-Changing werden de hymnes van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging in de jaren ’60, terwijl hij met liederen als Masters of War veel heeft bijgedragen aan de vredesbeweging in de tijd van de Vietnam-oorlog.”

Dat Alfred Nobel als munitiefabrikant zelf een ‘Master of War’ was maakt de nominatie voor Dylan des te meer betekenend, meent Ball.

Humanitaire missie

Ball wijst erop dat de jury van de literaire Nobelprijs altijd schrijvers en dichters heeft uitverkozen die zich nadrukkelijk engageren met de problemen van hun tijd, of het nu om Thoman Mann (1929), William Faulkner (1949), Ernest Hemingway (1954), Albert Camus (1957), John Steinbeck (1962) of Jean-Paul Sartre (1964, prijs geweigerd) gaat. Aan l’art pour l’art heeft de Zweedse jury duidelijk een broertje dood. Ball: “De prijs gaat onveranderlijk naar schrijvers die een soort humanitaire missie op zich nemen. Het gaat om literatuur die niet strikt literatuur wil zijn, maar een universele boodschap heeft voor de mensheid als geheel. De laatste tijd gaat de prijs ook steeds meer naar rebellen, van wie Dario Fo natuurlijk de meest in het oog springende is. Dylan past uitstekend in dat patroon van inspirerende persoonlijkheden met een geprononceerde boodschap”.

‘Ginsberg vertelde me dat één op de drie zinnen van Dylan een kwestie van pure genius was’

Traditie van transformatie

Bij de eerste uitreiking in 1901 ging de prijs naar de Franse dichter Sully Prudhomme, die als jonge dichter begon met zeer persoonlijke, melancholieke verzen en op latere leeftijd de grote thema’s van de mensheid als geheel op zijn schouders nam. Bij Dylan zie je precies een tegengestelde beweging, aldus Ball. “Dylan begon als jonge bard uiterst maatschappelijk geëngageerd, en werd sindsdien alleen maar persoonlijker en droeviger, met als hoogtepunt het intens pessimistische album Time out of Mind. Uit zijn werk spreekt een zeer persoonlijke Werdegang. Het is vóór alles het verslag van een kunstenaar die zowel grootse overwinningen heeft gekend als momenten van wanhoop. Dylans zogeheten christelijke periode van de jaren tachtig, toen veel van zijn bewonderaars afhaakten, was in mijn ogen ook een tijd van loutering, te vergelijken met de vrome periode die Paul Verlaine doormaakte op latere leeftijd, na een jeugd van uitzinnige excessen. Vergelijk het pure plezier dat klinkt uit een song als Bob Dylans 112th Dream, uit zijn vroege periode, eens met een later lied als Sick of Love, en je bent getuige van de transformatie die we als mens doorlopen”.

Universele vermogens

Dat Ball zich zo inzette voor de Nobelprijs voor Dylan was vooral te danken aan Allen Ginsberg, de dichter met wie Ball in de jaren ’60 een tijd samenleefde in een commune in New York. Ball: “Ginsberg vertelde me dat één op de drie zinnen van Dylan een kwestie van pure genius was. Toen ik het werk van Dylan ging bestuderen moest ik hem daarin gelijk geven. Ginsberg dacht niet dat het Dylan veel zou kunnen schelen of hij de Nobelprijs won of niet, maar hij zette zich er honderd procent voor in. In 1996, een jaar voor zijn dood, schreef hij als lid van de American Academy of Arts & Letters een aanbevelingsbrief aan de Zweedse jury. Ginsberg schreef daarin dat Dylan de prijs verdiende ‘als erkenning van zijn krachtige en universele vermogens’. In mijn ogen had Ginsberg zelf ook wel een Nobelprijs verdiend, alleen al voor dat schitterende gedicht Howl. Dat hij zich zo enthousiast inzette voor Dylan tekent zijn persoonlijkheid. Allen was een gul mens. Hij had ook een heel speciale band met Dylan, die natuurlijk in alles precies het tegendeel was van hem”.

‘Dylan is geen man die naar erkenning hunkert’

Simon Vinkenoog

Ball: “In 1971 zag ik Dylan en Ginsberg samen bij een trouwfeest van een vriend in een synagoge op Long Island. Tijdens het feest was Ginsberg uitzinnig aan het dansen met de rabbijn, terwijl Dylan verscholen in een hoekje met een enorme bontmuts op in een hoek de boel zat op te nemen. Ginsberg trok hem toen aan beide handen de zaal in, tussen al die dansende mannen. De flappen van zijn bontmuts veerden op en neer. Het was zo’n ontroerend gezicht dat ik er tranen van in mijn ogen kreeg. “Far out”, riep ik toen tegen de man die naast me zat. Dat was niemand minder dan jullie grote dichter Simon Vinkenoog. “Jews are far out”, riep Simon toen terug.’

Uit de eerste brief van Gordon Ball aan de jury voor de Nobelprijs voor de literatuur, 30 augustus 1996:

 

“Sinds de vroege jaren zestig heeft dhr. Dylan in woorden en muziek een bijna ongelimiteerd artistiek universum gecreëerd dat zich over de globe heeft verspreid en de geschiedenis van de wereld werkelijk heeft veranderd. Hoewel hij natuurlijk vooral bekend is als muzikant, zou het een verschrikkelijke vergissing zijn zijn buitengewone prestatie op literair gebied over het hoofd te zien. In werkelijkheid zijn muziek en poëzie nauw met elkaar verbonden, en het werk van dhr. Dylan heeft significant bijgedragen deze vitale verbinding nieuw leven in te blazen.”

 

Traditie van de bard

“De kunst van de poëzie is misschien vijftienduizend jaar oud, hij heeft vooral kunnen overleven door zijn orale kracht, niet via de relatief jonge techniek van het gedrukte woord. In onze moderne tijd heeft Bob Dylan de poëzie teruggebracht naar zijn oorspronkelijke overdracht via het menselijke lichaam. In zijn muziek heeft hij de traditie van de bard, de minstreel en de troubadour doen herleven. Zijn werk wordt over de hele wereld vertaald en ten gehore gebracht, maar het overstijgt de grenzen van de ‘populaire’ kunst ruimschoots. Zie daarvoor alleen al de opname van zijn lyriek in talloze academische tekstboeken voor de letterkunde. De buitengewoon inventieve symboliek van veel van zijn werk kan de vergelijking doorstaan met dat van wereldberoemde dichters als Arthur Rimbaud en William Butler Yeats. Echter: in het katalyseren van vele generaties van jongeren heeft zijn oeuvre meer dan dat van welke dichter van deze eeuw dan ook, de kracht van het woord gehad om levens en lotsbestemmingen te veranderen.”

Wereldwijd netwerk

Gedurende zijn Dylan-campagne zette Gordon Ball een wereldwijd netwerk op van belangrijke schrijvers en letterkundigen die zijn initiatief ondersteunen. De actie werd breed gedragen. Bijvoorbeeld door de Unie van Russische Schrijvers in Sint-Petersburg, die de Russische roots van Dylan duidelijk in zijn werk herkennen. De literaire erfenis van Leo Tolstoj is in het werk van deze zoon van joodse Russische emigranten verdisconteerd, vindt men daar. Dylan staat in Rusland in hoog aanzien sinds hij in 1985 werd uitgenodigd door de toenmalige Sovjet Schrijvers Unie om een optreden te verzorgen ten bate van de Russische dichter Yevgeny Yevtushenko. In Zuid-Europa toonde men zich al even enthousiast. In Engeland kreeg de actie ondersteuning van de poet laureate Andrew Motion, die Dylans Visions of Johanna als een van de mooiste gedichten van de twintigste eeuw roemde. In Frankrijk kreeg Dylan in 1990 op grond van de in zijn liederen verwerkte invloeden van dichters als Rimbaud en Baudelaire uit handen van minister van Cultuur Jack Lang de hoogste Franse culturele onderscheiding voor buitenlanders, de titel Commandeur des Arts et des Lettres. In de eerste regeringsperiode van Barack Obama kreeg hij de hoogste culturele onderscheiding in de VS.

‘In een eerder stadium spraken Harry Mulisch en Cees Nooteboom grote bezwaren uit tegen de mogelijke uitverkiezing van een simpele zanger als literaire reus’

Taalverrijking

“Zelfs op uiterst triviaal niveau heeft hij zeer memorabele uitdrukkingen toegevoegd aan onze taal, meer dan enig vergelijkbaar figuur sinds Kipling”, schreef prof. D. Karlin van het University College van Londen aan de Zweedse jury over Dylan. De Oost-Duitse schrijfster Gundela Russ liet per brief aan de Zweedse jury weten dat Dylans muziek en lyriek haar “in de meest duistere periode van de DDR hadden geholpen en gemotiveerd”. Dr. Aidan Day van de Universiteit van Edinburgh ondersteunde Dylans nominatie “boven alles omdat zijn werk de afgelopen 35 jaar zonder vrees een cultuur heeft gedefinieerd die bestaat uit permanente agitatie en crisis”. In Canada werd de Dylan-campagne geleid door prof. Stephen Scobie van de Universiteit van Victoria, lid van de Royal Society of Canada. In de Verenigde Staten was Betty Bowden van de Universiteit van New Jersey de grote gangmaker. Bowden studeerde in 1978 af met een analyse van de poëtische structuur van Dylans oeuvre. In Engeland kreeg Ball steun van de inmiddels op tragische wijze om het leven gekomen schrijver John Bauldie. In 1998 kwam de gerenommeerde Stanford Universiteit met een groot congres over de literatuur van Bob Dylan.

Gerard Reve ook Dylan-fan

Ook in Nederland ondervond het initiatief  brede steun. In 2000 vond in de Amsterdamse Melkweg een manifestatie plaats waarin tal van schrijvers en journalisten Dylans nominatie ondersteunden. In een eerder stadium spraken Harry Mulisch en Cees Nooteboom grote bezwaren uit tegen de mogelijke uitverkiezing van een simpele zanger als literaire reus. Wellicht omdat beide heren vinden dat ze de prijs zelf moeten krijgen. De grote volksschrijver Gerard Reve echter meldde zich persoonlijk aan de telefoon aan de presentator van de avond Theodor Holman om te laten weten dat hij geheel achter de nominatie stond. Reve liet vanuit Frankrijk ook nog zijn favoriete nummer van Dylan horen: het redelijk obscure nummer Series of Dreams.

Hartkwaal

Gordon Ball: “Sinds Dylan in 1997 bijna bezweek aan een hartkwaal is de erkenning van zijn talenten pas eigenlijk echt op gang gekomen. Hij werd na zijn herstel bijvoorbeeld uitgenodigd door de paus, om in diens bijzijn tijdens een congres voor de katholieke jeugd in Bologna enkele nummers ten gehore te brengen. De paus citeerde tijdens zijn speech uit Blowin’ in the Wind. Ook dat was een vitaal stukje erkenning. Newsweek nam Dylan op in haar top-honderd van belangrijkste Amerikanen van de twintigste eeuw. Maar belangrijker is dat de huidige generatie jongeren zich ook weer op Dylan stort. Vanuit de barakken van de cadetten van het militaire instituut waar ik werkte hoorde ik ‘s avonds de songs van Dylan schallen. Ja, zelfs een nummer als Masters of War. Het is illustratief voor hoezeer Dylan de wereld daadwerkelijk heeft veranderd.”

Dat de campagne van Ball effect sorteerde werd rond 2000 duidelijk, toen de Noorse initiatiefnemer Reidar Indrebs via via te horen kreeg dat de Zweedse jury hem en Ball verzochten hun campagne low key te houden. Te veel publiciteit zou de zaak alleen maar kunnen schaden. Voor Indrebs was dat een signaal dat de Nobeljury Dylan in ieder geval wel serieus nam. Indrebs: “Het grote punt was natuurlijk de vraag of de jury de prijs wel zou willen geven aan een voordrachtkunstenaar als Dylan. Ik heb altijd gedacht dat dat mogelijk is. In 1997 ging de prijs naar Dario Fo, toch ook een uitgesproken voordrachtkunstenaar. Of neem de winnaar van 1917, de Bengaalse dichter Ribandranath Tagore, onder meer tekstdichter van het Indiase volkslied Janagana-mana. Tagore was ook muzikant, en zijn verzen werden overal in India gezongen. William Butler Yeats, de winnaar van 1923, placht zijn gedichten ook te zingen. Winston Churchill kreeg de prijs in 1952 nadrukkelijk ook om zijn talenten als publiek redenaar. Het zijn allemaal precedenten die de kandidatuur van Dylan wel degelijk tot een serieuze zaak maken.”

‘Literatuur en popmuziek zijn allang één geworden’

Mensen die zeggen dat iets wat voortkomt uit de popcultuur nooit waardig genoeg is voor zoiets als de Nobelprijs, weten niet waar ze over praten, aldus Indrebs: “Derek Walcott, de Caribische dichter die in 1992 met de Nobelprijs werd bekroond, verklaarde zichzelf al nadrukkelijk schatplichtig aan Bob Marley, de Jamaicaanse koning van de reggae. In reactie op zijn uitverkiezing noemde Walcott Marley zelfs als zijn belangrijkste inspiratiebron. Walcotts werk is dan ook afgeladen met verwijzingen naar het werk van Marley. Zo begint Walcotts lange gedicht Light of the World met een citaat uit Marleys song Kaya, een ode aan het roken van marihuana. Na zijn uitverkiezing ging Walcott helemaal de popkant op. Hij schreef de teksten voor The Capeman, de musical van Paul Simon over het leven van de legendarische New Yorkse jeugdcrimineel Salvador Agron. Literatuur en popmuziek zijn allang één geworden.”

Geen hunkering naar erkenning

Met de verse Nobelprijswinnaar zelf heeft Ball nooit contact kunnen leggen over zijn actie. Wel met diens management. Hij heeft niet de indruk gekregen dat de affaire Dylan zelf al te veel bezighoudt. Ball: “Dylan is geen man die naar erkenning hunkert. Maar hij beschouwt zichzelf wel degelijk als dichter. ‘I live like a poet and I’ll die like a poet’, zei hij eens. Maar waar het in mijn ogen allemaal om gaat is niet zozeer de figuur van Dylan alleen. Ik zie Dylan toch vooral als een unieke representant van een culturele stroming in Amerika die je te kort zou doen door haar alleen af te schilderen als louter tegencultuur. Die traditie gaat terug naar een groot dichter als Walt Whitman, was aanwezig in het werk van Dylans grote voorbeeld Woody Guthrie, is nauw verbonden met de beat-dichters, zoals Jack Kerouac en Allen Ginsberg, en kreeg in Dylan uiteindelijk zijn meest prominente vertolker. Het is de humanistische, lyrische kant van de Amerikaanse Droom die daar weerklinkt, en juist die dimensie zou in deze tijden erkenning verdienen. Deze Nobelprijs wordt daarom in mijn ogen niet alleen aan Dylan gegeven, maar aan een gehele literaire stroming.”