TPOok!

 
Recensie

De malaise van het cultuurmarxisme

Het boek Cultuurmarxisme is metakritiek op het kapen van links door het cultuurmarxisme

 

”Het einde van de westerse beschaving staat voor de deur. Niet door klimaatverandering of oorlog, maar door het cultuurmarxisme. Of dat is toch wat een groeiende groep stemmen op rechts beweert.”

 

– De Standaard

Totalitaire verleiding

Cultuurmarxisme is volgens De Groene Amsterdammer ‘een complottheorie voor paranoïde rechts’. Joop.nl noemt het een ‘extreemrechtse complottheorie die al compleet afgeserveerd is’. Volgens de Volkskrant is het ‘een holle term waar je alle kanten mee op kunt.’ De term waart rond in het Nederland. Nu is er dan de monografie Cultuurmarxisme. Er waart een spook door het Westen (2018) onder redactie van Paul Cliteur, Jesper Jansen en Perry Pierik waarin 13 auteurs hun licht laten schijnen over deze term en betogen dat het een zinvol begrip is om een bepaald probleem in de hedendaagse westerse cultuur mee aan te duiden.

Cultuurmarxisme wordt omschreven als een vorm van totalitaire verleiding waarbij intellectuelen streven naar het ondermijnen van de liberale democratie door het propageren van haat en schaamte voor de eigen cultuur (van kolonialisme, racisme en slavenhandel) en via de multiculturele samenleving waarin de islamisering van de Westerse cultuur gestimuleerd wordt. Waar het in het klassiek marxisme ging om via politiek en een (gewelddadige) revolutie de kapitalistische samenleving in één keer te hervormen tot het communistische arbeidersparadijs, gaat het in het cultuurmarxisme om de langzame maar fundamentele hervorming via instituties richting een samenleving zonder vrijheid van het individu. Jurist en EO-journalist Emerson Vermaat schrijft:

 

”Terwijl het marxisme zich richt op de toe-eigening van de productiemiddelen, keert het cultuurmarxisme zich tegen de westerse cultuur, die moet worden ondermijnd. In beide gevallen zegt men op te komen voor de zwakken en verdrukten en legt men de schuld van alle ellende bij de kapitalistische westerse uitbuiters, onderdrukkers en kolonialisten.” (p. 229)

 

Geen geuzennaam

Het woord cultuurmarxisme is in het huidige maatschappelijke debat geïntroduceerd door historicus Sid Lukassen in zijn boek Avondland en identiteit (2017). Lukassen meent dat het Westen door het cultuurmarxisme in een diepe existentiële crisis verkeert en balanceert op de rand van de afgrond en dat we in donkere tijden leven. Voor een historicus heeft hij verrassend weinig historisch relativeringsvermogen want er is meer vrijheid, meer welvaart en minder geweld in de Westerse samenlevingen dan ooit te voren. De term cultuurmarxisme roept weerstand en verbazing op. Dat komt voor een belangrijk deel omdat de cultuurmarxisten zichzelf niet zo noemen en zich niet herkennen als neomarxist. De term is bedacht door critici en tot nu toe heeft niemand de term als geuzennaam opgepikt.

Er kan een vergelijking gemaakt worden tussen cultuurmarxisme en carnisme. De term carnisme is enkele jaren geleden door sociaalpsycholoog Melanie Joy geïntroduceerd. Het is de impliciete ideologie die het gebruik van dieren voor elke rol die mensen maar bedenken, rechtvaardigt. Vleeseters en dierentuinbezoekers zullen zichzelf niet snel herkennen als carnist, maar de logica van de semantiek maakt het volkomen begrijpelijk. Zo ook met cultuurmarxisme. Ik denk niet dat er mensen zijn die zich in hun LinkedIn-profiel afficheren als cultuurmarxist. Cultuurmarxisme en carnisme zijn termen om een impliciete ideologie met duidelijke manifestaties mee aan te duiden

Cultuurmarxisme is marxistisch omdat het feitelijke waarheden instrumenteel behandelt en prioriteit geeft aan de ideologie. Feiten zijn alleen van belang als ze de eigen ideologie van het cultuurmarxisme ondersteunen, zo niet dan wordt er weggekeken of gesjoemeld.

Cultuurmarxistische trends

In de omvangrijke essaybundel Cultuurmarxisme laten auteurs zien hoe zich dat cultuurmarxisme in de huidige samenleving manifesteert. Een gevolg van cultuurmarxisme is het wijdverbreide cultuurrelativisme, dat wil zeggen dat culturen moreel niet vergeleken kunnen worden. Tegelijkertijd wordt dat dikwijls op onlogische wijze samengevoegd met het idee dat de westerse cultuur niet moreel superieur is aan andere culturen, maar dat die andere culturen (communistische, islamitische landen) juist moreel superieur zijn aan het westen – ‘want daar is er tenminste nog wel saamhorigheid’ of iets van die strekking.

Behalve dat een diagnose wordt gesteld van het gevaar van cultuurmarxisme dat de kernwaarden van de liberale democratie aantast, worden er ook oplossingen verkend. Paul Cliteur noemt het concept, zoals ook uitgewerkt door Bastiaan Rijpkema, van weerbare democratie. Weerbare democratie is een vorm van democratie die zich staande weet te houden tegen zowel dreigingen van buiten af, als tegen antidemocratische stromingen en bewegingen binnen de eigen samenleving. Cliteur onderscheidt zes cultuurmarxistische trends:

 

  1. Postmodernisme
  2. Cultuurrelativisme
  3. Identity politics
  4. Criminalisering van ‘islamofobie’
  5. Extensieve interpretatie van ‘haatzaai-artikelen’
  6. Pogingen om weerbare democratie alleen toe te passen op communisme en fascisme, en niet op islamisme.

 

Olympisch kampioenschap slachtofferschap

Filosoof Maarten Boudry, die zichzelf als sociaal liberaal ter linkerzijde van het politieke spectrum plaatst, geeft een voorbeeld uit eigen ervaring op de campus van de Stanford University in Berkeley, die bekend staat als een links bolwerk. Boudry komt op de campus een tafel tegen waar studenten gratis horchata (een frisse rijst-amandel-etc. drank) weggeven, op het plakkaat staat echter ‘for black folx’. Boudry verbaast zich hierover en vraagt opheldering aan de studenten. Het is volgens Boudry toch immers racisme om de gratis drank te beperken tot zwarten. De studenten willen echter geen discussie en bevelen Boudry aan om een college te volgen over white privilege. Boudry noemt het omgekeerd racisme door de ‘verheerlijking van ‘diversiteit’ en de betutteling van minderheden, die ontaardt in een soort ‘Olympisch Kampioenschap van Slachtofferschap’. (p. 77) Boudry wijst erop dat de cultuurmarxisten manicheïstisch denken in goed of slecht. Er is geen ruimte voor nuance. Een gevolg daarvan is dat zij blind zijn voor minorities within minorities. Zoals homoseksuelen binnen de islam of islamitische islamcritici.

 

”In deze identitaire logica schuilt de reden voor het verraad dat zogenaamde ‘progressieve’ mensen plegen aan ex-moslims en andere onderdrukte minderheden binnen de islam.” (p. 80)

”Door samenlevingsproblemen niet bij naam te noemen uit angst om minderheden te viseren, heeft het progressieve kamp de fatale vergissing begaan om die thema’s te laten monopoliseren door rechts en extreemrechts.” (p. 83)

 

Nederland een van de minst racistische landen

Verkeersvlieger Udo Kelderman laat in zijn essay zien dat het slavernijdebat wordt gebruikt voor politieke doeleinden, zoals door emeritus hoogleraar genderstudies Gloria Wekker (Universiteit Utrecht) die pleit voor meer politieke correctheid en meent dat ‘Nederlanders erfelijk belaste witte racisten zijn’. (p. 95) Wekker ontving in 2017 de Joke Smit-prijs voor haar bijdrage aan vrouwenemancipatie. Joke Smit was echter een links liberale feminist, met de nadruk op liberaal. Ik vraag me af of Smit met de toekenning van de emancipatieprijs aan Wekker zou instemmen. Waar Wekker meent dat Nederland een diep racistisch land is, zelfs waar dat nergens zichtbaar is, blijkt uit onderzoek van de Harvard University (zie p.97) dat Nederland een van de minst racistische landen van Europa is. Van Rooij schrijft hierover:

 

”Europa is het continent met het minste racisme ter wereld en institutioneel bestaat het fenomeen niet.” (p. 217)

 

Kelderman stelt:

 

”Kenmerkend voor cultuurmarxisten is dat zij minderheden vertellen dat ze onderdrukt worden om deze vervolgens op te zetten tegen de onderdrukkers.” (p. 97)

 

Fellow traveler

Historicus Jan Herman Brinks laat zien hoe tal van intellectuelen zich willens en wetens als fellow traveler hebben laten meeslepen in totalitaire ideologieën, van Lenin, van Stalin, Mao, Castro. Schrijver Harry Mulisch wordt meerdere keren geciteerd als voorbeeld van een fellow traveler. Opvallend vind ik dat Mulisch bij mijn weten nooit enig berouw heeft getoond voor zijn verfoeilijke idiotie. Het openingscitaat bij het essay van Brinks werpt licht op het fenomeen van de fellow traveler, het is een citaat van de Amerikaanse sovjetoloog Adam Ulam uit 1966:

 

”[…] een intellectueel vindt vaak een zekere morbide fascinatie in de puriteinse en repressieve aspecten van het Sovjetregime en ook in zijn enorme, naar buiten gerichte zelfvertrouwen, dat zo opvallend contrasteert met het verontschuldigende, weifelachtige zelfbeeld van de democratische wereld.” (p 101)

 

Hier is een verontrustend citaat uit Het woord bij de dood. Getuigenis van de revolutie op Cuba (1968) van Harry Mulisch:

 

”Omdat de chinezen, evenals de cubanen, het geluk hebben om te worden geleid door de radicaalste onder hen, kwam het tot de ontketening van de kulturele revolutie: misschien de meest fantastische gebeurtenis uit de wereldgeschiedenis. In een onbeschrijfelijke storm keerde een volk van bijna een miljard personen uit zelfbehoud terug tot zijn revolutionaire inspiratie, en vernietigde de kiemen en uitwassen van de vereeuwiging overal waar het die maar vinden kon. Niets bewijst beter wat Mao voor iemand is, dat dit zonder noemenswaardige ongelukken kon gebeuren.”

 

Sharia vergoelijken

Ik heb bovenstaande passage meerdere keren gelezen. Zum kotzen komt nog het meest in de buurt om mijn walging hierover te schrijven. Mulisch zit vanuit zijn comfortabele studeerkamer het gruwelijke geweld en de onderdrukking van dictators als Mao en Castro goed te praten. Misschien had Mulisch moeten bedenken dat hij in de ogen van degenen van wie hij het geweld goedpraat ook behoort tot de ‘kiemen en uitwassen van de vereeuwiging’ die vernietigd moeten worden. Het is een ontstellend kortzichtige decadentie om zulks op te schrijven. Ik heb de neiging om mijn Mulisch-collectie zo bij het oud papier te flikkeren. Maar dat doe ik niet, want ik vind ook dat literatuur niet per se ethisch verantwoord hoeft te zijn. Ik heb tenslotte ook een Bijbel en Koran in mijn boekerij.

Een voorbeeld van hoe een ideologie (links emancipatiestreven) om kan slaan in haar tegendeel (de misogynie van het islamisme) is de Amerikaans-Palestijnse activist Linda Sarsour die een van de organisatoren was van de Women’s March in 2017 – tegen het seksisme van Trump – die critici van de islam fel bekritiseert en de sharia vergoelijkt. Ze is ook door het tijdschrift Glamour tot vrouw van het jaar 2017 verkozen. Sarsour lijkt de Anja Meulenbelt van het Amerikaanse feminisme.

Geen ruimte voor nuance

Een van de meest idiote uitingen van cultuurmarxisme, aangehaald door Brinks, is de opmerking op tv van nota bene voormalig hoofd van de Amsterdamse politie Joop van Riessen over Geert Wilders. Lees maar, want er staat wat er staat!:

 

”In wezen zou je de neiging hebben om te zeggen ‘nou, we mollen hem’. Hij moet gewoon vandaag weg en hij mag niet meer boven tafel komen. Dat is een normale reactie.”

 

Hier toont een voormalig politiecommandant begrip (‘dat is een normale reactie’) voor haat en mogelijk geweld jegens een democratische gekozen politicus die nota bene door de politie beschermd moet worden vanwege geweldsdreiging van islamitische zijde. Dit is ongehoord. Onversneden cultuurmarxisme. In een liberale democratie mogen mensen zeggen wat ze willen, inclusief dus kritiek op de islam en moslims, en is het de taak van de politie om de vrijheid van expressie van individuen te beschermen tegen geweldsdreiging van derden. De vrijheid van expressie heeft alleen kracht wanneer de politie bescherming biedt aan mensen die door het uiten van hun opinie met geweld bedreigd worden. Dat betekent dat Geert Wilders koste wat het kost beschermd moet worden en blijven tegen islamitische geweldsdreiging. Nogal wat mensen ter linkerzijde van het politieke spectrum, onder wie veel gestaalde cultuurmarxisten, menen dat Geert Wilders de geweldsdreiging over zichzelf afgeroepen heeft en dus ook maar voor de gevolgen moet in staan en dat de kritiek van Wilders op de Islam geen hout snijdt. Wat hij ook zegt, er wordt (door links) nooit naar hem geluisterd. Om de ideologische geladenheid van opinievorming te doorbreken zouden mensen hun opinie moeten geven over politieke uitspraken zonder dat ze weten van wie de uitspraak afkomstig is. Voor nuance is er bij cultuurmarxisten –door David Pinto aangeduid als policors (politiek correcten) – geen ruimte.

Vrijheid van het individu centraal

Hier dan maar even voor de nuance mijn opinie over Geert Wilders. Ten eerste dienen politici, meer nog dan andere burgers, bescherming te krijgen zodat zij hun beroep vrij kunnen uitoefenen. Ten tweede, een groot deel van de islamkritiek van Wilders snijdt houdt. Ten derde, een deel van de kritiek van Wilders op de Europese Unie snijdt hout. Maar ik draag het project van de Europese Unie dat zorgt voor vrede in Europa een warm hart doe, wat niet wil zeggen dat er geen kritieke op de EU te geven is. Ten vierde, de PVV ontbeert een ideologische theorie die maakt dat politieke standpunten afleidbaar zijn. De standpunten van de partij worden thans door Wilders bepaald. Dat is een populistisch aspect. Ten vijfde, de PVV is geen democratische partij. Ten zesde, de PVV wil misstanden in andere religies zoals besnijdenis in het jodendom niet aanpakken of christelijk onderwijs uitbannen. Maar los van de inhoud van de politiek van Wilders dient in een constitutionele democratie iedereen beschermd te worden tegen geweld. Zelfs misdadigers dienen bescherming te krijgen tegen woedende menigten. De kern van de beschaving is het handhaven van het geweldsmonopolie van de overheid en het geweld van de overheid is strikt beperkt binnen constitutionele kaders die democratisch zijn getoetst en waarin de vrijheid van het individu centraal staat.

Verstikkende vorm van politieke correctheid

Filosoof Sebastiaan Valkenberg citeert de conservatieve Engelse filosoof Roger Scruton die in 2015 het boek Fools, Frauds and Firebrands. Thinkers of the New Left publiceerde waarin hij linkse denkers bekritiseert. Waaronder Gramsci:

 

”Gramsci’s importance for us today lies in his resolute attempt to lift the work of revolution out of the streets and factories into the realm of high culture. He redesigned the left-wing programme as a cultural revolution, one that could be conducted without violence and whose site would be the universities, theatres, lecture halls and schools where the intellectuals find their primary audience.” (p. 176)

 

De Italiaanse communist Antionio Gramsci (1891-1937) wordt beschouwd als de grondlegger van het cultuurmarxisme. Gramsci belandde onder het fascistische systeem van Mussolini in de gevangenis, waar hij werkte aan zijn communistische geschriften, waaronder zijn visie om via de lange mars door de culturele instituten de samenleving in de richting van het gewenste doel van de communistische heilstaat te leiden. Het verblijf in de gevangenis had een dusdanig slechte invloed op zijn gezondheid dat Gramsci kort na zijn vrijlating in 1937 overleed. Valkenberg ziet een steeds verstikkender vorm van politieke correctheid in het onderwijs en in de media die leidt tot cultuurmarxistische propaganda.

Een kwakzalver als Carl Jung

 

”Het blijkt een constante onder westerse intellectuelen om zich aangetrokken te voelen tot het totalitaire.”

 

Het boek Cultuurmarxisme is een heldere stem van kritiek tegen een deel van het linkse politieke en culturele establishment

Aldus filosoof en essayist Wim van Rooij die een buitengewoon erudiete bijdrage levert aan de bundel door het contemporaine intellectuele debat in Frankrijk in al zijn schakeringen te analyseren. Van Rooij toont daarmee hoe Angelsaksisch georiënteerd wij in Nederland en wellicht ook in België zijn. Slechts een klein gedeelte van de door Van Rooij behandelde boeken en auteurs is vertaald. Helaas is de kennis van het Frans bij de meeste mensen niet al te best en zeker niet voldoende om het intellectuele debat in Frankrijk te volgen en analyseren. Dat Van Rooij dat wel doet is een grote verdienste. Hij citeert veelvuldig in het Frans en soms denk ik dat ik enigszins begrijp wat er staat. Van Rooij laat zien dat er in het intellectuele landschap in Frankrijk twee ongelijke kampen zijn. De meerderheid, onder wie de beroemde of beruchte Franse postmoderne filosofen, zoals Derrida, Deleuze, Guattari, Bourdieu en Braudillard, bevindt zich in het cultuurmarxistische kamp en een kleine groep verzet zich daartegen, waaronder Alain Finkelkraut, Pascal Bruckner en Élisabeth Badinter.

Af en toe snijdt Van Rooij weleens een bocht af, zoals wanneer hij ‘de religie van het ecologisme’ meeneemt bij de opsomming van de mallemolen van linkse cultuurmarxisten – en hij is niet de enige in de bundel die dat doet. Dat duidt op een gebrek aan een bredere visie. Wat ook onduidelijk is in het essay van Van Rooij is diens schijnbare kritiek op het mensenrechtendiscours. Hij spreekt van ‘verabsolutering en vergoddelijking van de mensenrechten uitgegroeid tot een nieuwe politieke religie’ (p. 224). Wat is er mis met mensenrechten en waarom zouden die geen centrale rol in het politieke discours mogen spelen? Van Rooij vat de – wat hij noemt – ‘cultuuroorlog’ samen als aan de ene kant ‘het fatsoen van het gezond verstand’ tegenover ‘de verdwazing van het nieuwe progressivisme, gesecondeerd door de islam.’ (p. 225) Wat ‘fatsoen van het gezond verstand’ precies inhoudt, is vager dan wat ‘de verdwazing van het nieuwe progressivisme’ inhoudt. Er zou een duidelijker ideologie tegenover moeten staan, bijvoorbeeld seculier humanisme, liberalisme of ecohumanisme (zoals uiteengezet in mijn boek Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme). Dat gezond verstand alleen niet genoeg is, blijkt uit de vreemde kronkel van Van Rooij door instemmend een kwakzalver als Carl Jung te citeren. Als je Jung serieus neemt, is er geen reden om ook een plek voor Derrida in te ruimen.

Voetbal met de zon vergelijken

Filosoof Jesper Jansen laat zien hoe het cultuurmarxisme het academisch feminisme van genderstudies heeft gekaapt en hoe dit postmodern feminisme de idealen van het feminisme verzaakt. Dit artikel heeft grotendeels dezelfde strekking als mijn essay ‘Over doorgedraaid postmodern feminisme’ in de recent gepubliceerde essaybundel De moord op Spinoza(2018) onder redactie van David Pinto en Paul Cliteur. In beide essays moet de doorgeslagen feminist Anja Meulenbelt het ontgelden.

Filosoof, historicus en socioloog Eric Hendriks ontwaart een link tussen de bloedige culturele revolutie van Mao in China en studentenprotesten in de jaren zestig in het westen.

 

”De jaren ’60-revolutie in het Westen was het liberaal-democratische broertje van de communistisch-totalitaire Culturele Revolutie. Het is een verwantschap die men binnen de activistische familie tegenwoordig het liefst verzwijgt.” (p. 286)

 

Je kunt natuurlijk alles met elkaar vergelijken, maar het afschuwelijke grootschalige geweld van de van bovenaf opgelegde culturele revolutie in China vergelijken met de grotendeels vreedzame (althans zonder doden en zonder beeldenstorm verlopen) studentenprotesten in westerse landen in de jaren zestig van de twintigste eeuw, is als het vergelijken van een voetbal met de zon omdat ze allebei rond zijn. Hendriks geeft als voorbeeld van het in zijn ogen doorgeslagen herzien van de geschiedenis in het licht van nieuw verworven morele inzichten, de (kleinschalige) commotie over standbeelden en straatnamen in Nederland van niet al te frisse figuren uit de Nederlandse geschiedenis, zoals de zogenaamde zeehelden die toch eigenlijk rovers waren en bijvoorbeeld deelnamen aan de slavenhandel:

 

”Een soortgelijk activistisch instinct richt zich in het huidige Nederland op verwijzingen naar onze trotse zeehelden, die voor neomarxistische activisten aanstootgevend zijn, juist omdat ze een positieve continuïteit met het verleden symboliseren.” (p. 282)

 

Ineens bevind ik mij blijkbaar in het kamp van de cultuurmarxisten, al ben ik er wellicht wat pragmatischer en onverschilliger over. Ik vind ook dat als er bijvoorbeeld een Anton Mussertsteeg zou zijn, deze beter omgedoopt zou kunnen worden. En een Rost van Tonningenstraat zou menigeen ook ongemakkelijk vinden. Ik vind niet dat we het verleden weg hoeven te poetsen maar ik vind ook niet dat we moeten menen dat schurken een ‘positieve continuïteit met het verleden symboliseren’. We moeten trots zijn op helden als Aletta Jacobs en Joke Smit, om maar een dwarsstraat te noemen.

Metakritiek

Dat er in Nederland mensen waren die dweepten met Mao of Stalin of al die andere totalitaire gruwels vind ik onbegrijpelijk.

 

”In het Westen waren veel linkse intellectuelen en activisten en politici, waaronder Paul Rosenmöller, Anja Meulenbelt, Jan Marijnissen en het hele SP-bestuur lyrisch over Mao’s Culturele Revolutie, ondanks dat er na Hitlers Holocaust en Stalins goelags al het nodige bekend was over de aard en werkwijze van totalitaire regimes.” (p. 282)

 

De uitspraak op de achterkant van het boek, door de liberale filosoof Dirk Verhofstadt, slaat de spijker op zijn kop:

 

”Dit boek toont haarscherp aan hoe links haar progressieve idealen heeft ingeruild voor steun aan of op zijn minst stilzwijgen over, de meest conservatieve tradities en gebruiken.”

 

Het is een probleem waar in theorie een eenvoudige oplossing voor is: de gelovigen van de linkse kerk, de cultuurmarxisten, zouden door het lezen van de critici op het cultuurmarxisme tot inkeer kunnen komen. Het boek Cultuurmarxisme is geen kritiek van rechts op de linkse ideologie als zodanig, maar een metakritiek op het kapen van links door het cultuurmarxisme dat als genderstudies, postmodernisme, intersectionalisme, identity politics, diversity officers, newspeak, policor, white privilege, safe spaces en islamofobie door de westerse wereld waart. De idealen van de Verlichting, zoals die in de liberale democratie tot bloei zijn gekomen, zijn en blijven kwetsbaar. Om de vrijheid van het individu en een waarlijk diverse en pluriforme vreedzame samenleving te behouden is het van belang het gevaar van cultuurmarxisme als ondermijning van de liberaal democratische rechtstaat te onderkennen en het te bekritiseren. Het boek Cultuurmarxisme is tezamen met de recent verschenen essaybundel De moord op Spinoza. De opstand tegen de Verlichting en moderniteit, een heldere stem van kritiek tegen een deel van het linkse politieke en culturele establishment.

   

Steun direct Floris van den Berg

Doe een rechtstreekse donatie aan deze auteur en blijf nieuwe bijdragen mogelijk maken: (Dit stuurt je naar een betalingspagina)
Heb je vragen over TPO en donaties? Mail naar [email protected]Bitcoins doneren? Kijk hier voor meer informatie
 
 
Toon / Verberg Reacties  
 
Sinds september 2017 moet je ingelogd zijn op Facebook om hieronder meer dan de standaard aantal reacties te laden.
Het gaat hier helaas om een verandering die Facebook zelf heeft doorgevoerd.
Maar je kunt ook reageren via Disqus.
Als iedereen slaapt, zijn wij wakker.